Deze route is uitgezet in het hoogveenlandschap en het rivierenlandschap in Zuidoost-Nederland. De route loopt grotendeels afwisselend door de Peel en langs de Maas. De toertocht begint en eindigt eindigt bij Shell Nobis in Asten (afslag 36 van de A67, daar waar de A67 en de N279 elkaar kruisen). Deze toertocht maakt deel uit van een set van 16 toertochten die bedoeld zijn voor iedereen met oog voor (de wording van) het Nederlandse landschap. In Nederland kunnen 6 landschappen worden onderscheiden: lösslandschap, zandlandschap, rivierenlandschap, veenlandschap, zeekleilandschap en duinlandschap. De onderscheiden landschappen worden verkend middels 16 toertochten met vermelding van allerlei landschappelijke en historische bezienswaardigheden/wetenswaardigheden. Voor wie meer wil weten over de in de routes genoemde bezienswaardigheden/wetenswaardigheden zijn de routes ook in boekvorm beschikbaar. Kijk voor meer informatie en een overzicht van alle routes op WWW.FJREEDIJK.NL/MOTORGEOGRAFIE [http://www.fjreedijk.nl/motorgeografie].
Bakel
De Bakelse Aa stroomt door het landgoed Bakelse Beemden. Beemden zijn laaggelegen natte gronden die ontgonnen zijn tot graslanden. De beemden werden gebruikt als hooiland. Dus geen vee erop, maar alleen maaien en gebruiken voor het vee in de winter op stal. Van oorsprong is de Bakelse Aa een kronkelende beek. Door de jaren heen is de beek rechtgetrokken om de snelheid van de waterafvoer te vergroten. Door een te snelle waterafvoer treedt verdroging op, hetgeen met name voor natuurgebieden ongunstig is. Om verdroging tegen te gaan, mag de Bakelse Aa weer als vanouds kronkelen zodat het water langer wordt vastgehouden.
Het landgoed Bakelse Beemden wordt ingericht als waterbergingsgebied. Als het water in de Bakelse Aa zo hoog komt te staan dat het water niet meer kan worden afgevoerd en een overstroming dreigt, worden de stalen kleppen van de hoogwaterstuw in de Bakelse Aa opgetrokken. Overtollig water uit de Bakelse Aa stroomt dan gecontroleerd het landgoed op. Het water stroomt dan over de akkers en zal het beekdal gedeeltelijk vullen met een laag water van enkele decimeters (0 – 80 cm). Als het waterpeil in de Bakelse Aa zakt, worden de stuwkleppen weer neergelaten. Het water uit de waterberging wordt dan door de Bakelse Aa afgevoerd. De stalen kleppen van de hoogwaterstuw liggen normaal gesproken op de bodem van de beek.
Bij de foto: De hoogwaterstuw in de Bakelse Aa
Milheeze
De Laurentiamolen is een achtkante beltmolen met een gevlucht (wiekenkruis) van 27,30 meter. De Laurentiamolen komt oorspronkelijk niet uit Milheeze, maar is in 1893 uit Bleskensgraaf in de Alblasserwaard gehaald. In Holland werden veel houten molens gebouwd, die bleven door hun lichte gewicht beter staan in de drassige poldergrond. Rond 1850 begon men deze molens te vervangen door stoomgemalen. De afbraakmolens werden vaak opgekocht en in Brabant geplaatst, zoals ook met deze molen is gebeurd. De molen is overgebracht nadat de vroegere kleinere molen op deze plaats afbrandde. De nieuwe molen had drie koppels maalstenen en werd zowel gebruikt voor het malen van graan (vooral rogge en het in de Peel veel verbouwde boekweit) als voor lijn- en koolzaad voor olie.
Bergen
De Pierre II (in 1992 in de vaart genomen) is een door schroeven voortbewogen dwarskabelpont die langs een over het water gespannen staaldraad een verbinding tussen twee oevers onderhoudt. De kabel heeft tot doel het afdrijven van de pont te voorkomen. De Pierre II is gebouwd als vrijvarende pont en zou zich dus ook zonder de dwarskabel zeer goed kunnen verplaatsen.
De Pierre II is een ‘heen en weer’. Dat is een pont die een verbinding tussen twee, tegenover elkaar gelegen, plaatsen aan een vaarwater onderhoudt. In het bijzonder een pont waarbij 'voorkant' en 'achterkant' gelijk zijn en waarbij het verkeer dus aan de ene kant oprijdt en aan de andere kant afrijdt.
Bergen
Een gedeelte van de Eckeltsebeek heeft geen natuurlijke ontstaansgeschiedenis en is gegraven voor de ontginning van de voormalige heide- en veengebieden in deze regio. De gebieden werden gebruikt voor de landbouw: de beekdalen als hooiland en weiland voor koeien en de heidevelden als weidegebied voor schapen. De hoger gelegen gebieden bij de dorpen werden gebruik voor akkerbouw.
Op de heide gestoken plaggen werden gebruikt als ondergrond voor het vee in potstallen (een potstal is een stal waarin de mest wordt opgepot). De plaggen werden als strooisel in de stal gelegd en zo met dierlijke uitwerpselen tot compost vermengd die tenslotte jaarlijks naar de akkers werd gebracht ter bemesting.
Vroeger werden veel beken (ook de Eckeltse beek) rechtgetrokken. Dit gebeurde om het water zo snel mogelijk af te voeren. Als het water te snel wordt afgevoerd treedt verdroging op, hetgeen met name voor natuurgebieden ongunstig is.
Tegenwoordig krijgen beken weer meer ruimte. Door beekherstel wordt het water langer vastgehouden zodat verdroging wordt tegengegaan.
Limburg
In het noordoosten van Limburg ligt Nationaal Park De Maasduinen. In dit gebied ligt de langste rivierduingordel van Nederland, die is ontstaan door het samenspel van water, wind en mens door de eeuwen heen.
Rivierduinen zijn ontstaan in de laatste ijstijd, (Weichselien). Het landijs bereikte Nederland niet, maar het was koud en droog. In de poolwoestijn ontbrak een gesloten plantendek en had de wind vrij spel. Als de brede en ondiepe rivierbeddingen droog lagen, kon het zand opstuiven tot rivierduinen. De overwegend westenwind voerde het zand uit de droge rivierbeddingen mee en zette het weer af ten oosten ervan. Hierdoor ontstonden de zandruggen en paraboolduinen.
Vanaf de prehistorie heeft de mens de natuur in De Maasduinen beïnvloed. Er werd bos gekapt om ruimte te maken voor landbouwgrond. Om de grond te kunnen blijven gebruiken, was bemesting nodig. Hiervoor werd in het gebied van De Maasduinen hoofdzakelijk schapenmest gebruikt. Door menselijk toedoen (houtkap en overbegrazing) zijn heide en stuifzanden ontstaan. Later zijn weer bossen aangeplant om de stuifzanden vast te leggen en voor de productie van hout.
Griendtsveen
De Maatschappij Helenaveen liet een particulier kanaal graven (de Helenavaart) om de in de Peel gewonnen turf af te voeren. Aan dit kanaal werden drietandwijken (gaffelwijken) verbonden, drie parallelle zijkanalen die aan het einde samenkwamen en zo in het kanaal overgingen. Voor de latere (agrarische) bewoning was het gunstig dat kon worden volstaan met een kleiner aantal bruggen dat over iedere wijk gelegd moest worden.
Maasbree
Bij het gehucht Soeterbeek heeft de Kwistbeek door het sterke verval een diep dal uitgesleten in de terrasrand van het Midden- naar het Laagterras, wat vanaf de kruising Zandberg-Soeterbeek fraai te zien is. Aan weerszijden van de brug gaat de weg namelijk vrij steil omhoog.
Bij de foto: De foto is genomen vanaf de brug over de Kwistbeek richting Maasbree.
Baarlo
Het oostelijke deel van de gemeente Peel en Maas wordt landschappelijk gedomineerd wordt door het Maasdal en de Maasterrassen. De Maasterrassen zijn visueel te herkennen als vlakke delen in het landschap, begrensd door een steile helling (terrasrand). De terrassen worden vaak gebruikt als akkerbouwgrond omdat ze vlak zijn en vanwege de vruchtbare löss. Löss is een zeer fijnkorrelig sediment dat tijdens de twee laatste ijstijden is afgezet door de wind.
Daar waar de terrasovergangen een flink hoogteverschil hebben, zijn de steilranden vaak bebost en zichtbaar in het landschap.
Bij de foto: Terrasovergang
Baarlo
De Spjeulhof (spjeulen = spoelen) is een watermolen met onderslagrad. Een watermolen is een molen die het vallen of stromen van water, bijvoorbeeld in een beek of een rivier, door middel van een waterrad omzet in rotatie-energie, die nuttig kan worden gebruikt voor het malen van graan of het persen van olie. Bij onderslaande waterraderen stroomt het water onder het rad door een groef heen. De groef is een leiding die aan het rad aangepast is. Ze verhindert dat water onder en zijdelings langs de schoepen stroomt, zonder deze aan te drijven.
Het huidige gebouw dateert uit het begin van de 19e eeuw. Tot 1960 was de molen nog in bedrijf als graanmolen. Na aankoop door de gemeente in 1970 werd de molen in 1976 maalvaardig gerestaureerd.
Baarlo
Een coupure (bij dijken ook dijkgat) is in de waterbouwkunde een door mensen aangebrachte doorgang in een waterkering. Een coupure heeft aan weerszijden een verticale gemetselde of betonnen dijkwand met daarin meestal één of twee sleuven of groeven. In deze sleuven worden bij hoog water balken geschoven (schotbalken) die de coupure afsluiten, waardoor de dijk weer waterkerend wordt. Veelal worden de schotbalken bewaard in een schotbalkenhuisje, een huisje van hout of beton op de kruin van de dijk naast de coupure.
Bij de coupure van Baarlo is een kunstwerk (een gietijzeren knoop) geplaatst ter herinnering aan de samenwerking bij de totstandkoming van de Maaskade, na het hoogwater van 1995.
Baarlo
De Maas is een echte regenrivier. In het verleden kon de stroom aanzwellen tot een machtige kolkende massa die alles meesleurt en op andere momenten bleef er weinig meer over dan een kabbelende beek. Ja, zo was de Maas.
In het begin van de 20e eeuw werd de roep om een beter gereguleerde waterafvoer ten behoeve van de scheepvaart steeds luider. Om het waterpeil beter controleerbaar te houden, werd besloten om op een aantal plaatsen in de rivier stuwen en sluizen aan te leggen. De stuwen moesten het water op het juiste peil houden, terwijl de sluizen de doorvaart van schepen mogelijk moesten maken.
Om de gewenste diepte te krijgen, werd de Maas in 'panden' verdeeld waarin het water door opstuwing op peil werd gehouden. Daartoe werden vijf beweegbare stuwen gepland bij Linne (stuwpeil 20,40 m), Roermond (16,75 m), Belfeld (14 m), Afferden (10,75 m) en Grave (7,50 m). Bij hoog water konden de stuwen geheel geopend worden, zodat de rivier dan haar vrije loop kon hebben.
Ten behoeve van de scheepvaart werd naast elke stuw een schutsluis gebouwd met een lengte van 260 m, een breedte van 14 m en een drempeldiepte van 3,30 m bij de laagste te verwachten waterstand.
Bij de foto: Stuw- en sluizencomplex bij Belfeld
Kessel
Kasteel De Keverberg is een geconsolideerde ruïne van een mottekasteel (een motte is een kunstmatig aangelegde aarden heuvel). Het kasteel is gelegen op een opgeworpen heuvel, direct aan de Maas en is daarmee een van de weinige nog overgebleven mottekastelen in Nederland.
In de Tweede Wereldoorlog werd het kasteel bezet door Duitse soldaten, die het bij hun aftocht opbliezen en in brand staken. De binnenmuren werden geheel vernield en door de ontstane brand bleef niets heel van het interieur. Zo werd de burcht van Kessel een ruïne.
De Stichting Behoud Kasteel De Keverberg is eigenaar van de ruïne en heeft vijf miljoen euro bij elkaar gekregen voor behoud van De Keverberg. Los van de oude muren is een nieuw deel gebouwd, bestaande uit slanke kolommen waarop betonnen verdiepingsvloeren en het dak rusten. Het nieuwe dak is gedekt met leien en heeft de vorm gekregen van het 18e-eeuwse dak. In plaats van de oorspronkelijke kleine dakkapellen zijn er grote glazen vensters aangebracht. Tussen de kolommen zitten glazen puien. De binnenplaats kreeg een flauw hellend glazen dak.
Swalmen
Door geleidelijke tectonische opheffing van Zuid-Limburg en insnijding van de Maas zijn maasterrassen ontstaan. Op de terrasovergangen kunnen door inslijting holle wegen ontstaan. Eeuwenlang gebruik van hetzelfde pad, te voet of met paard en kar, leidde tot een natuurlijk erosieproces. Losgewoelde aarde spoelde af met het regenwater en op die manier diepte de weg zich jaar na jaar verder uit. Het is een proces dat ook nu nog optreedt zolang het wegdek onverhard blijft.
Holle wegen zijn typische landschapselementen voor heuvelachtige streken met een leemondergrond. De fijne leemkorrels kleven goed samen en laten de vorming van stevige, steile wanden toe. Naast een geschikte bodem is voldoende reliëf nodig, opdat het afstromend regenwater voldoende kracht krijgt om grond mee te voeren.Op de terrasovergangen kunnen door inslijting holle wegen ontstaan. Eeuwenlang gebruik van hetzelfde pad, te voet of met paard en kar, leidde tot een natuurlijk erosieproces. Losgewoelde aarde spoelde af met het regenwater en op die manier diepte de weg zich jaar na jaar verder uit.
Swalmen
Tot omstreeks 1950 lag het dorpje Asselt (noordelijk van Roermond) aan een buitenbocht van de Maas. Ter plaatse werd de Maas ‘recht’ getrokken en de bocht van de Maas afgesneden. Rond de afgesneden Maasarm is net als in veel andere gebieden van Midden-Limburg, door zand- en grindwinning een plassengebied ontstaan.
In 2005 heeft de laatste afwerking in het gebied plaatsgevonden. Er zijn grotere oeverstroken gemaakt, met baaien en lagunes waar op een wat grotere schaal natuurlijke oevervegetatie tot ontwikkeling kan komen. Bij de zand- en grindwinning is een groot eiland gespaard gebleven en er zijn ook enkele nieuwe eilanden opgeworpen. Het gebied kenmerkt zich door uitgestrekte plassen, kleine eilandjes, rietranden en ruigtebegroeiing langs de oevers. Het is een prachtig waterrijk natuurgebied van wel 200 ha groot
Limburg
Het Sint Dionysiuskerkje (in de volksmond ook wel ‘Rozenkerkje’ genoemd) stamt uit de 11e eeuw. Het is een zaalkerkje, vroeg romaans. Het kerkje staat op een landtong, vroeger uitstekend in de rivier de Maas. De toren is opgetrokken in baksteen, de rest van de kerk in veldkeien. De aanwezigheid van Romeins bouwmateriaal in de muren doet vermoeden dat er in de Romeinse tijd in de nabijheid een stenen gebouw heeft gestaan. Nadat door de schurende werking van de Maas de romaanse toren aan de westkant was ingestort, heeft men in de 16e eeuw de huidige laatgotische bakstenen toren aan de oostkant gebouwd.
Heel
Het Lateraalkanaal ligt tussen Linne en Buggenum en heeft een lengte van 8,9 km. Dit kanaal snijdt een aantal grote meanders af en biedt daardoor een kortere en snellere route ten opzichte van de oorspronkelijke Maasroute. De scheepvaart hoeft via het kanaal alleen sluis Heel te passeren en via de Maas twee sluizen, te weten sluis Linne en sluis Roermond. Het kanaal is midden jarig zestig aangelegd.
Ten westen van het kanaal zijn tussen 2004-2012 een tweetal retentiebekkens (overloopgebieden) aangelegd om bij hoogwater een gedeelte van het dan overvloedige water van de Maas en het Lateraalkanaal op te vangen. Bij hoogwater begint het water vanuit de Maas en het Lateraalkanaal deze bekkens in te lopen via een inlaat (verlaagde kade). Hierdoor zakt het waterpeil in het Lateraalkanaal en de Maas.
Thorn
Thorn staat bekend als het Witte Stadje vanwege zijn witte huisjes in het centrum. Het is het eerste Nederlandse dorp op de westelijke Maasoever vanaf Maastricht. Omstreeks 990 werd op een hoogte dichtbij de Maas een klooster voor benedictinessen gesticht, de Abdij van Thorn. In de loop van de 14e eeuw ontwikkelde zich een miniatuurvorstendom onder leiding van een abdis en 20 adellijke dames, het Abdijvorstendom Thorn.
Het gebied waarbinnen de abdijgebouwen lagen, werd afgesloten door de immuniteitsmuur. De immuniteit hield in dat het betreffende gebied onttrokken was aan de rechtsmacht van de parochie en het wereldlijk bestuur van Thorn, het vormde derhalve een eigen rechtsgebied.
De komst van de Fransen in 1794 betekende het einde van het abdijvorstendom. De meeste dames waren al eerder gevlucht en keerden nooit meer terug naar Thorn. Onder de Fransen kreeg Thorn het zwaar te verduren, toen kreeg Thorn ook zijn kenmerkende witte kleur. De Fransen voerden een belasting in op basis van de omvang van de ramen. De arme bevolking, vaak wonend in grote panden die voorheen hadden toebehoord aan rijke lieden, kon deze niet opbrengen. Om de hoogte van de belastingaanslag te beperken, metselde men de ramen dicht. Met het doel deze bouwsporen (‘littekens van de armoede’) te verbergen, werden de huizen wit gekalkt.
Bij de foto: Ringpoortje in de immuniteitsmuur
Ospel
In de Peel (afgeleid van het Latijnse palus = moeras) liggen ondoordringbare leemlagen vrij dicht aan de oppervlakte, waardoor het regenwater moeilijk kon wegzakken. Op veel plaatsen ontstonden moerassen en lokaal vormde zich hoogveen. Toen men ontdekte dat gedroogd hoogveen goed als brandstof bruikbaar was, heeft men eeuwenlang turf gestoken aan de rand van het moerasgebied. Omstreeks het midden van de 19e eeuw is begonnen met grootschalige afgraving om turf te winnen.
Nationaal Park De Groote Peel ligt op de grens van Noord-Brabant met Limburg. De Groote Peel is één van de laatste, grotendeels ontgonnen hoogveengebieden die niet in cultuur zijn gebracht. Het is een landschap van afwisselend ontoegankelijk veenmoeras, plassen, heideterreinen, vlakten en zandruggen. Het moerasgebied is toegankelijk gemaakt door de aanleg van 'knuppelpaden'.
Neerkant
Het Peelmoeras bestond in feite uit twee afzonderlijke complexen, waarvan de Verheven Peel (op de Peelhorst) en de Groote Peel (in de Roerdalslenk) de resterende kerngebieden zijn. De Peelrandbreuk zelf is vrijwel ondoordringbaar geworden voor grondwater, omdat in de loop van de tijd leemlagen bij verschuivingen langs de breuk zijn uitgesmeerd. Het grondwater in de Peelhorst dat omlaag sijpelt richting de Roerdalslenk kan bij de breuk dus geen kant meer op en wordt uiteindelijk als kwel naar de oppervlakte gestuwd. Het ogenschijnlijk onnatuurlijk verschijnsel waarbij de hogere gronden aan de oostkant van de breuk nat en moerassig en de lagere gronden aan de westkant van de breuk relatief droog zijn, wordt wijst genoemd.
Aan de oude weg door de Peel op de grens van Limburg en Noord-Brabant ligt de Sint Wilbersput in Meijel. De put ligt bovenop de Peelrandbreuk, nog juist op het hoge deel. Daar, aan de rand van de Verheven Peel, zorgde kwelwater altijd voor voldoende water in de put.
Het laden van een noodzakelijk bestand is mislukt. Gelieve de pagina te herladen of het later opnieuw te proberen.